Walt Whitman in Duitsland

Elk boek vertelt twee verhalen. Het verhaal dat je in het boek kunt lezen in de tekst, maar ook het verhaal van het boek als voorwerp. Ik weet bijvoorbeeld nog precies wanneer ik elk boek heb gelezen. Niet de exacte datum, maar wel wie ik was toen ik het las en wat het boek op dat moment voor mij betekende. Mijn bibliotheek is mijn biografie en dat geldt zelfs voor de boeken die ik niet heb gelezen. In sommige boeken ben ik wel begonnen, maar weet ik nu nog precies waarom ik ze uiteindelijk niet heb uitgelezen.

En dan heb je de boeken die ik niet zelf heb gekocht. Ik heb ze in twee soorten. De boeken die ik cadeau heb gekregen en de boeken die ik heb geërfd. Zo heb ik heel veel boeken van mijn grootouders en andere familieleden die niet meer leven. Van al die familieleden heb ik foto's en brieven en soms een briefopener of wat servies. Ik vind het geweldig om te weten welke boeken mijn voorouders lazen en ik blader regelmatig door deze collectie oude boeken en zo leer ik iets over de tijd waarin ze leefden en welke interesses ze hadden en vaak voegt het iets toe aan het beeld dat ik van heb uit de brieven, foto's en familieverhalen. 

Voor mij in de kast staat een dik boek met op de rug dwars in grote letters. WHITMAN en boven het woord CANBY. Het is zo'n boek waarvan ik weet dat ik het met veel plezier zou lezen als ik eraan zou beginnen, maar ik ben er simpelweg nooit aan toe gekomen.

Walt Whitman

Dit boek over de grote Amerikaanse dichter Walt Whitman vertelt een verhaal van over mijn overgrootvader, Heinrich Zierleyn. Hij noemde zichzelf ook Hendrik. Geboren in Nordhorn in Duitsland 1876, overleden in 1954 in Wülfrath in het Roergebied. Het boek kreeg hij cadeau met kerst, in het jaar 1947, van zijn zus Rika.

Heinrich Zierleyn

Mijn overgrootvader was een belezen man. Hij was niet iemand van frivole romannetjes, maar afgaand op de boeken die ik van hem bezit en de brieven en essays die hij geschreven heeft, eerder een man van de non-fictie, geïnteresseerd in geschiedenis, filosofie en theologie. Hij was vrijmetselaar en hield zich in zijn vrije tijd intensief bezig met de grote vragen van het leven, god, ethiek, geschiedenis en politiek.

Wittmung

Op het eerste gezicht is het zomaar een boek uit 1947 over een groot schrijver. Ik ben bekend met de naam Walt Whitman, maar ondanks het feit dat ikzelf van poëzie houd moet ik bekennen dat ik nog nooit iets van hem gelezen heb. Ik was altijd meer geïnteresseerd in de Nederlandse en Duitse literatuur. De papieren omslag van het boek heeft z'n beste tijd gehad en de pagina's zijn vergeeld, maar verder ziet het boek er nog prima uit. Het is een dikke pil van 450 pagina's, middenin zitten een paar bladzijden met foto's en er zitten een paar losse papiertjes in.

Mijn familie komt uit Duitsland, maar begin jaren dertig verhuisde de familie naar Nederland. Mijn grootvader Alex besloot, samen met zijn vader Heinrich een eigen bedrijf te beginnen in hang- en sluitwerk. Sloten en scharnieren. Hendrik was jarenlang handelsreiziger geweest in deze artikelen en kende de markt in Europa goed en hij zag grote kansen in Nederland. De familie verhuisde naar Amersfoort, bouwde een woonhuis met kantoor en magazijn en begon met de import van Duitse sloten en scharnieren. Een succesvol bedrijf, midden in de crisis van de jaren dertig en Hendrik hielp mijn grootvader zo goed hij kon via zijn netwerk om het bedrijf op te bouwen. Getuige de vele brieven uit die jaren was Hendrik meer in Nederland dan bij zijn vrouw in Duitsland.

De familie integreerde uitstekend in Nederland. Zowel Hendrik als Alex spraken binnen de kortste keren vloeiend Nederlands en Alex was niet van plan ooit nog terug te gaan naar Duitsland. De aanvraag voor naturalisatie van de familie was vrijwel afgerond toen de oorlog uitbrak. De oorlog is een onderwerp dat ik niet in een paar alinea's kan beschrijven. Daar kom ik een andere keer op terug. Het is te groot voor een enkele blog. Er zijn andere boeken in mijn boekenkast die dat verhaal beter kunnen vertellen. Het boek dat voorligt is uit 1947, in het Duits, uitgegeven door uitgeverij Blanvalet in Berlijn

Blanvalet

In het boek zit een kaartje van de uitgever, Lothar Blanvalet. Sterker nog, er zitten twee dezelfde kaartjes in het boek. 1947. De oorlog is nog maar net voorbij. Lothar Blanvalet begint opnieuw met zijn eigen uitgeverij. In 1935 was hij voorzichtig begonnen met onder andere een boek over voetbal, maar tijdens de oorlog mocht hij zijn werkzaamheden niet meer uitoefenen. Het boek uit 1947 was een van de eerste titels die hij na de oorlog kon uitgeven. Dat schrijft hij ook:

"Sie halten mit diesem Band eine meiner ersten Verlagspublikationen in Händen, den neuen Beginn einer verlegerischen Arbeit, die ihren vollen Beitrag zur geistigen Erneuerung Deutschlands leisten soll."

De geestelijke vernieuwing van Duitsland. Dat was het doel van dit boek. Geen overbodige luxe na de jaren van oorlog, terreur en holocaust. Heinrich was 71 jaar oud toen hij dit boek kreeg van zijn zus Rika. Het moet een boek naar zijn hart geweest zijn. In die jaren schreef hij voor zijn broeders in de vrijmetselaarsloge essays over de toekomst van Duitsland en ik vermoed dat de opdracht tot geestelijke vernieuwing hem uit het hart gegrepen was. De familie had alles in Nederland verloren, ze waren weer terug in Duitsland en probeerden met kunst en vliegwerk een nieuw bestaan op te bouwen. Het uiteindelijke doel, zo snel mogelijk terug naar huis in Nederland. Zoals gezegd, dat is een ander verhaal.

Hoe komt een Duitse uitgever in 1947 erbij om een boek over Walt Whitman te maken? Ik vermoed dat dat een zeer veilig onderwerp was. In de chaos na de oorlog waren er waarschijnlijk maar weinig onderwerpen waarover een uitgever een boek mocht uitgeven van de geallieerden en een boek over Walt Whitman paste ideaal in deze tijd. Whitman was tolerant, een democraat, wars van materialisme, optimistisch en vrolijk. Alles wat in die tijd nodig was en het perfecte voorbeeld voor de geestelijke vernieuwing van het naoorlogse Duitsland. Tenminste in de ogen van de westelijke geallieerden. De Sovjet Unie had ongetwijfeld andere voorbeelden.

Henry Seidel Canby

Het boek werd geschreven door Henry Seidel Canby. Dat was niet zomaar een schrijver. Hij schreef zo'n dertig boeken, waaronder biografieën over Thoreau, Mark Twain en Whitman, hij was een gevreesd literatuurcriticus, medeoprichter van de toonaangevende Saturday Review of Literature en invloedrijk redacteur van de Book of the Month Club. Op de website van de Greenwich Village Bookshop Door staat de volgende anekdote:

"Ezra Pound once joked that his acolyte and future New Directions publisher James Laughlin should quit poetry and do something useful like assassinate Canby."

Zo invloedrijk was Henry Seidel Canby kennelijk. Uit een kort onderzoek op internet blijkt dat de verhouding tussen deze twee schrijvers op z'n zachtst gezegd ingewikkeld was. In het boek Ezra Pound: The Contemporary Reviews valt te lezen:

On december 15, 1945, Henry Seidel Canby, the editor of the Saturday Review, attacked Pound's traitorous activities during the war as "signs of a muddled and mediocre mind, easily deluded by childish fallacies in government and economics."

Soms waren de heren ook aardig tegen elkaar. In Ezra Pound, The Tragic Years, 1925-1972, staat het citaat:

Pound was even kind at this point to Henry Seidel Canby, but only because this kindness was forced upon him. Early in the year, Pound was elected a member of the National Institute of Art and Letters, and Canby happened to be the secretary of the organization.

Een invloedrijk man, die mooie biografieën schreef, Over Walt Whitman, een boek dat in 1947 voor het eerst in het Duits werd uitgegeven, dat Hendrik Zierleyn voor kerst kreeg van zijn zus Rika. Ik ben ervan overtuigd dat hij het gelezen heeft. Het zou een aardig onderwerp voor een studie zijn om te zien in hoeverre het gedachtegoed van Whitman terugkeert in de geschriften van mijn overgrootvader vanaf 1948. Het zou mij niet verbazen als die link er duidelijk is.

image
image

Achterin het boek zit nog een briefje dat een licht werpt op het leven van Hendrik na de oorlog. Het is een visitekaartje van Werner Ferrari, werknemer bij de firma August Speiser GmbH uit Stuttgart. Telefoonnummer 90567. Een groot- en detailhandel die al bestond sinds 1870 en die kennelijk ook handelde in hang- en sluitwerk. Het bedrijf bestaat niet meer, voor zover ik het kan achterhalen.

Zoeken op de naam Werner Ferrari levert wel een interessante link op, maar het moet over een andere Werner Ferrari gaan. Het visitekaartje is ongetwijfeld van na 1947 en zal niet jonger zijn dan het jaar 1954, het jaar dat Hendrik overleed. Zoeken op internet naar Werner Ferrari levert als eerste hit een Werner Ferrari op die geboren werd in het jaar 1946. Het zou kunnen gaan om Werner Ferrari Junior, maar Junior komt uit Zwitserland en senior werkte kennelijk in Stuttgart in Duitsland. Onwaarschijnlijk dat het directe familie is. Ik hoop het tenminste voor Werner Ferrari Senior, want Junior is geen lieverdje. Nee, Werner Ferrari Junior is een seriemoordernaar. Je verzint het niet. Zijn slachtoffers waren kinderen. Vijf kinderen. Ik wil niets met hem te maken hebben.

Fa. Josef Brenner

Op de achterkant staat met de hand nog een adres van de firma Josef Brenner. Wie was Josef Brenner? Een zoektocht naar hem brengt ons terug bij de Duitse geschiedenis. Josef Brenner was koopman en politicus. Een foto van hem heb ik niet kunnen vinden, maar hij heeft een eigen Wikipedia pagina, vooral dankzij zijn politieke carrière na de oorlog. Hij zat zelfs korte tijd in de Bundestag.

Ik weet dat mijn overgrootvader rookte. Pijp, als ik de foto's mag geloven. Hoe zat het met het verkrijgen van goede pijptabak in 1947 in West-Duitsland? Kocht hij zijn tabak bij de firma Josef Brenner in Koblenz? In Koblenz bestaat nog steeds een Josef Brenner GmbH. Vlak bij het station is volgens Google Maps een tabakswinkel met die naam. Heeft mijn overgrootvader daar tijdens een trip naar Koblenz pijptabak gekocht? Wellicht. Ik zie hem het station uitlopen, met z'n hand in z'n vestzak grijpen en denken, verdorie, ik heb m'n tabak thuis laten liggen! Even kijken, oh, kijk, daar heb je een tabakswinkel. Hm, Josef Brenner, ja, laat ik daar eens wat nieuwe tabak kopen! Maar dat is niet hetzelfde adres als op het kaartje. Bahnhofplatz 1. Het adres op het kaartje is de Kaiser-Friedrich-Straße 69. Dat adres bestaat niet meer. De straat heet nu Südallee. Dat is ook een onderdeel van de Duitse geschiedenis. Veel straten van vroeger bestaan niet meer. De oorlog heeft de meeste oude binnensteden verwoest en na de wederopbouw is in veel steden het stratenplan aangepast aan de moderne tijd. Net als in Rotterdam. Wat in Duitsland daar nog bij komt is dat men behoefte had aan neutralere namen. Veel straten vernoemd naar keizers en veldheren zullen een nieuwe naam hebben gekregen. Hoe het precies met de Kaiser-Friedrich-Straße zit heb ik niet kunnen achterhalen. De Südallee is in elk geval een grote drukke straat dwars door het centrum, vlak bij het station. Wellicht dat Josef Brenner daar begonnen is na de oorlog en later, toen het station herbouwd was (ik ga er van uit dat het verwoest is in de oorlog) dat ze de huidige plek op de Bahnhofplatz hebben bemachtigd.

Ik weet dat mijn familie na de oorlog van alles deed om geld te verdienen. Ik heb wel eens gehoord dat ze na de oorlog in tabak handelden. Dat zou ook een reden kunnen zijn. Wellicht verkocht Heinrich zijn tabak aan Josef Brenner en die distribueerde het via zijn groothandel? Op Wikipedia valt verder te lezen dat Josef Brenner sinds 1947 president van het detailhandelsverbond van de regio Rijnland-Palts was en ook vice-president van de kamer van koophandel van Koblenz. Het kan ook zijn dat hij hem in die hoedanigheid kende. Of was hij wellicht een kennis vanuit een bevriende vrijmetselaarsloge? Het valt niet meer te achterhalen.

Josef Brenner maakte in elk geval na de oorlog carrière. In de oorlog was hij nog lid geworden van de NSDAP (lidnummer 8.952.233), maar na de oorlog ging het snel. Hij was in 1946 betrokken bij de oprichting van de CDP, de Christlich-Demokratische Partei, een voorloper van de CDU. Hij zat vanaf 1946 in de gemeenteraad van Koblenz, vanaf 1951 in het parlement van Rijnland-Palts en in 1957 nam hij de plaats in in de Bundestag van de overleden parlementariër Otto Lenz.

Otto Lenz

Otto Lenz. Ik had nog nooit van hem gehoord. Een foto kon ik wel van hem vinden. Hij speelde een kleine rol in het Duitse verzet en hij stierf onder merkwaardige omstandigheden aan malaria in een armenhospitaal in Napels. En dat terwijl hij parlementariër was? Eind jaren zestig werd duidelijk dat Lenz een belangrijke rol speelde in het HS-30-schandaal, het eerste grote wapenschandaal van na de oorlog over de aanschaf van HS-30 tanks voor het Duitse leger.

Schützenpanzer HS-30

Een mooi verhaal. Stof voor een mooie politieke thriller. Lenz zou DM 300.000,- hebben ontvangen. Minister van Defensie  Franz Josef Strauß zou ook een rol gespeeld hebben. Getuigen werden onder verdachte omstandigheden terug gevonden op de boden van de Bodensee. De CDU zou 50 miljoen DM hebben ontvangen voor de verkiezingscampagne van 1957. De tank werd gebouwd door een bedrijf dat gespecialiseerd was in het maken van scooters en de tank bleek later een grote sof. Een verhaal dat te mooi is om waar te zijn. Wat is de geschiedenis toch vol prachtige verhalen!

Wat we in elk geval zouden kunnen concluderen is dat de betrokkenen in dit schandaal er goed aan hadden gedaan als ze het boek over Walt Whitman hadden gelezen. De geestelijke vernieuwing was bij sommige Duitsers in elk geval geen groot succes. Walt Whitman zou er schande van hebben gesproken. Mijn overgrootvader ook. Vermoed ik.

Laat ik afsluiten met twee gedichten van Walt Whitman:

To A STRANGER

PASSING stranger! you do not know how longingly I look upon you,
You must be he I was seeking, or she I was seeking, (it comes to me as of a dream,)
I have somewhere surely lived a life of joy with you,
All is recall'd as we flit by each other, fluid, affectionate, chaste, matured,
You grew up with me, were a boy with me or a girl with me,
I ate with you and slept with you, your body has become not yours only nor left my body mine only,
You give me the pleasure of your eyes, face, flesh, as we pass, you take of my beard, breast, hands, in return,
I am not to speak to you, I am to think of you when I sit alone or wake at night alone,
I am to wait, I do not doubt I am to meet you again,
I am to see to it that I do not lose you.

--

When I Read the Book

When I read the book, the biography famous,
And is this then (said I) what the author calls a man's life?
And so will some one when I am dead and gone write my life?
(As if any man really knew aught of my life,
Why even I myself I often think know little or nothing of my real life,
Only a few hints, a few diffused faint clews and indirections
I seek for my own use to trace out here.)

Voor meer Walt Whitman zie Wikipedia of vraag ernaar in uw lokale boekhandel.